Theoretisch model

Het STOP4-7 programma (De Mey, 2005) is een interventie voor jonge kinderen (leeftijd tussen 4j0md en 7j11md) met ernstige gedragsproblemen. Het is een ecologische en multimodale interventie: het betrekt het kind (sociale vaardigheidstraining), de ouders (parent management training), en de leerkracht (classroom management training). Naast de drie geprotocolliseerde groepstrainingscomponenten, zijn er ook individuele huis- en schoolbezoeken, om het programma af te stemmen op de individuele noden van ouder(s) en leerkracht(en). Inhoudelijk is het programma vooral gebaseerd op onderzoek en klinisch werk van het Oregon Social Learning Centre (Reid, Patterson & Snyder, 2002), meer specifiek op het LIFT-programma (Linking the Interests of Families and Teachers; Eddy, 2000, Ramsey, et al., 1993).

Antisociaal gedrag wordt hier gedefinieerd als een stabiel patroon van negativistisch, dwingend (coercief), oppositioneel, ongehoorzaam en/of agressief gedrag ten aanzien van autoriteitsfiguren, gedrag dat de basisrechten van anderen schaadt of leeftijdsadequate sociale normen en regels overtreedt (Dishion, 1995; Loeber, 2000). Het omvat een brede waaier aan maatschappelijk ongewenst gedrag (Rutter, 2003). Ontwikkeling is een belangrijke factor bij het analyseren van antisociaal gedrag (CPPR Group, 1992; Lahey, 1999; Reid, 1993; Reid & Eddy, 1997). Sommige gedragingen - zoals oppositioneel en ongehoorzaam gedrag bij peuters en jonge kleuters - zijn eerder normatief gedurende sommige ontwikkelingsstadia, terwijl dit niet het geval is tijdens andere (Campbell, 1995). Hierbij dient een belangrijk onderscheid gemaakt te worden tussen vroege en late starters, waarbij de vroege starters meer risico lijken te lopen op het ontwikkelen van antisociaal gedrag dat hun hele levensloop omspant (Moffitt, 1993). Dit onderscheid beklemtoont het belang van vroege interventie of preventie, en motiveert de focus op jonge kinderen in de leeftijd tussen 4 en 8 jaar.

Het meest invloedrijke ontwikkelingsmodel voor antisociaal gedrag, is Pattersons theorie (Patterson, Reid & Dishion, 1992) van het "coercive process" (dwingproces). In dit model worden coercieve processen geïdentificeerd als het centrale maladaptieve mechanisme bij de ontwikkeling van antisociaal gedrag. Kinderen leren door dit mechanisme te ontsnappen aan opmerkingen en opdrachten van hun ouders of deze zelfs te vermijden, door een escalatie van hun negatieve gedragingen. Dit leidt op zijn beurt tot een sterke toename van aversieve ouder-kind interacties, wat weer een escalatie in het negatief functioneren van het kind tot gevolg heeft. Daarom wordt er van uitgegaan dat dit mechanisme en de strategie om hiermee om te gaan de kern moeten uitmaken van een effectieve oudertraining, met als uiteindelijk doel de inperking van de gedragsproblemen en de stimulering van het prosociale gedrag van het kind. Omwille van verschillende leerprocessen, missen sommige kinderen voldoende sociale vaardigheden en hun gedragsproblemen verhinderen hen om prosociaal gedrag vlot aan te leren. Daarom zal een effectieve interventie zich niet alleen richten op de ouders, maar ook op het kind zelf (Woolgar & Scott, 2005). Bovendien vormen sociale vaardigheden een beschermende factor: ze verhogen de kans dat kinderen aansluiting vinden bij een groep prosociale kinderen en zodoende ook meer oefenkansen krijgen in sociaal vaardig gedrag.

Als kinderen, die reeds gedragsproblemen vertonen, naar school gaan, proberen ze daar hun succesvolle coercieve strategieën te herhalen; daarom kan een vroege interventie ook niet succesvol zijn zonder de leerkrachten hierbij te betrekken (Woolgar & Scott, 2005). Het belang van een leerkrachttraining wordt benadrukt door de duidelijke overeenstemming onder deskundigen dat de essentie van een succesvolle kleuterschool'carrière' ligt in de kwaliteit van de leerkracht-kind relatie en de mogelijkheden van de leerkracht om een positieve, consistente en responsieve omgeving aan te bieden voor het kind. Tekorten in de beschikbaarheid van de leerkrachten voor het kind en weinig gebruik van aanmoedigingen, samen met een hoger leerling-leerkracht ratio, zijn gerelateerd aan oppositioneel gedrag, delinquentie en aan zwakke schoolprestaties. Leerkrachten die vooral met kinderen uit lage inkomensgezinnen werken, waren significant meer hard, koel en ongevoelig dan leerkrachten die vooral werkten met kinderen uit midden- en hogere klasse gezinnen. Een spijtige vaststelling is dus dat een consistente en positieve klassenervaring het minst beschikbaar is voor de kinderen die het meest risico liepen op een negatieve gedragsontwikkeling (Webster-Stratton, Reid & Hammond, 2001). Een leerkrachttraining voegde toe aan de effectiviteit van een gecombineerde kind- en oudertraining, vooral in functie van het gedrag op school (Barkley, 2000; Webster-Stratton, Reid & Hammond, 2001). Het geeft ouders een gevoel van samenwerking, wat hun energie om vol te houden vergroot. De leerkrachttrainingsprogramma's, beschreven in de internationale literatuur (Webster-Stratton, 2000; Webster-Stratton & Hammond, 1997; Webster-Stratton, Reid & Hammond, 2001), zijn gebaseerd op principes van de sociale leertheorie, net zoals de meeste oudertrainingsprogramma's.

Er moet aan toegevoegd worden dat het coercieve proces niet de enige maladaptieve factor is die kan geobserveerd worden in gezinnen met kinderen die het risico lopen op een negatieve ontwikkeling. Het aantal risicofactoren blijkt hierbij belangrijker dan de aard van de risicofactoren (Rutter, 2003). Risicofactoren zijn niet gelijkmatig verspreid over de sociale groepen in onze maatschappij. Sommige gezinnen zijn structureel benadeeld bij het opvoeden van hun kinderen (Hermanns, 2006). Er is een hoge correlatie tussen antisociaal gedrag en socio-economische status (SES) (Tremblay, et al., 2004). Daarom zal een belangrijke onderzoeksvraag in deze studie zijn of deze trainingsprogramma's even effectief zijn voor kinderen uit lage, midden- als hoge SES groepen. Economische achterstelling - vaak geassocieerd met een cumulatie van risicofactoren zoals een laag inkomen, slechte behuizing, een laag opleidingsniveau, één-oudergezinnen en pathologie bij de ouders - is een erg sterke contextuele voorspeller voor antisociale ontwikkelingstrajecten. De relatie met latere vormen van delinquentie is echter gemediëerd door de mate waarin deze factoren een consistent en constructief ouderschap verstoren (Dekovic, 2003; Reid & Eddy, 1997). Reid (1993) en Dodge en Pettit (2003) veronderstellen in hun ontwikkelingsmodel voor antisociaal gedrag dat de effecten van contextuele factoren op het gedrag van het kind indirect zijn. Dat betekent dat zij de hypothese formuleren dat deze effecten in hoge mate gemediëerd zijn door de verstorende invloed die ze hebben op de dagelijkse ouderlijke discipline en monitoring. In de mate dat gezinnen effectieve ouderlijke vaardigheden kunnen blijven vertonen in deze negatieve context, wordt het risico dat hun kinderen antisociale gedragspatronen gaan vertonen verkleind. Het onderzoek naar deze relatie door de Pittsburgh Youth Study leidde tot het besluit dat de impact van de buurt op de criminele carrière van jongeren met een lage SES beslissend kan zijn (Wikström & Loeber, 1997) Dit geeft aan dat de dagelijkse moeilijkheden verbonden aan het leven in een buurt met een hoge graad aan criminaliteit, zelfs de grootste inspanningen van ouders om hun kind uit de criminaliteit te houden, overweldigt.

Om te besluiten, wil het STOP4-7 programma, ten eerste - ingebed in een sociaal-ecologische theorie - invloed uitoefenen op het gedrag van jonge kinderen, door sleutelaspecten in de sociale context van het kind te veranderen op een zodanige wijze dat het eerder prosociaal gedrag zal promoten dan antisociaal gedrag. Hierbij zullen vooral de meest nabije contexten wat het kind betreft, betrokken worden: het gezin en de school.

In het STOP4-7 programma wordt uitgegaan van volgende vooronderstellingen (Serketich & Dumas, 1996):

  • Menselijk gedrag is de functie van de contingenties van bekrachtiging en straf aan de welke individuen zijn blootgesteld gedurende dagelijkse uitwisselingen met hun omgeving.
  • Antisociaal gedrag is aangeleerd en blijft voortbestaan door de positieve en negatieve bekrachtiging (zoals aandacht en vermijding) die kinderen ontvangen van sociale actoren, hun ouders in het bijzonder.
  • Therapie probeert een verandering te bewerkstellingen in de sociale contingenties zodat de prosociale gedragingen van het kind positieve bekrachtiging ontvangen en dat ongewenst gedrag consistent wordt bestraft of genegeerd.
  • Het behoud en de generalisatie van de behandelingsresultaten berusten bij een proces van positieve bekrachtiging. Als ouders en kinderen bekrachtigers uitwisselen door hun nieuw verworven interactiepatronen, wordt het aannemelijk dat dit patroon zichzelf in stand houdt over tijd en generaliseert naar nieuwe situaties.